De laserbehandeling

Wat is een laserbehandeling?

Bij een laserbehandeling worden de bloedvatverbindingen op het placenta-oppervlak tussen de foetussen dicht gebrand middels laser. Bij deze behandeling wordt de oorzaak van TTS of TAPS wordt aangepakt. Het is te vergelijken met een kijkoperatie.

Er wordt via de buikwand van de moeder een camera (2-3 mm) met een laserdraad (1 mm) ingebracht in de vruchtzak van de ontvanger. Hierdoor kunnen de bloedvaten op de placenta bekeken worden. Alle bloedvaten tussen donor en ontvanger (die TTS of TAPS veroorzaken) worden met behulp van de laser dicht gemaakt. Op deze manier wordt de gezamenlijke placenta kunstmatig in tweeën verdeeld.

De donor en de ontvanger hebben nu elk hun eigen placentadeel en hun bloedsomlopen staan niet meer met elkaar in verbinding. Tevens wordt het teveel aan vruchtwater afgetapt. Voor deze ingreep wordt de moeder 24 uur opgenomen op de afdeling verloskunde.

Afbeelding Laserbehandeling voor het tweelingtransfusiesyndroom. Illustratie door Amanda Gautier.

Hieronder kunt u een video zien waarop de laserbehandeling uitgelegd wordt. 

Voor de ingreep

Opname op de afdeling

Op de dag van de laserbehandeling wordt u opgenomen op de afdeling Verloskunde J7-Q (GeboorteHuis). De behandeling vindt plaats op de behandelkamer, die zich op deze afdeling bevindt. 

Ter voorbereiding op de ingreep krijgt u een infuus. Met behulp van dit infuus kunnen we voorafgaand aan de ingreep antibiotica toedienen.

Een half uur voor de ingreep krijgt u een zetpil Indocid. Dit zorgt ervoor dat u tijdens de ingreep zo min mogelijk harde buiken heeft.

Naar de behandelkamer

Op het tijdstip van de laserbehandeling wordt u naar de behandelkamer gebracht. Het team dat u gaat behandelen, is daar aanwezig. Dit team bestaat uit de behandelend gynaecoloog die de behandeling uitvoert, de arts foetale geneeskunde die de begeleidende echo maakt en er zijn een of twee verpleegkundigen aanwezig om te assisteren.

Uw partner of een ander vertrouwenspersoon kan tijdens de ingreep in de behandelkamer aanwezig zijn en zit bij u aan het hoofdeinde, net als bij het maken van een echo.

 

Voorbereiding op de ingreep

Er wordt gestart met het maken van een echo. De conditie van de kinderen wordt nogmaals beoordeeld en ook de plek waar geprikt zal worden wordt bepaald.

Ter voorbereiding op de ingreep worden zo veel mogelijk materialen van tevoren klaar gezet. De laatste voorbereidingen treffen we als u op de kamer bent. Pas dan kunnen we alle steriele materialen uitpakken en aansluiten op de laserapparatuur.

De ingreep

Als de ingreep daadwerkelijk gaat starten krijgt u via het infuus Dormicum en Fentanyl toegediend. Deze medicijnen zorgen voor pijnstilling en slaperigheid. De medicatie werkt snel omdat we het direct kunnen toedienen in de bloedbaan. Tevens wordt plaatselijke verdoving op de plek van de introductie gegeven. U zult nog wel voelen dat er iets gebeurt, maar de scherpe pijn is weg of is er kortdurend.

 

Vervolgens wordt via de buikwand een camera ingebracht. Op welke plek de camera de buik in gaat is afhankelijk van waar de placenta zich in de baarmoeder bevindt. De behandeling zelf duurt tussen de 20 en 60 minuten, afhankelijk van de zwangerschapsduur en de ligging van de placenta.

Tijdens de ingreep worden opnames gemaakt van de beelden die in de baarmoeder te zien zijn. Deze beelden worden voor u op een USB-stick gezet

Na de ingreep

Na de behandeling wordt u met bed terug gebracht naar uw kamer. U heeft dan minimaal zes uur bedrust. De ochtend na de ingreep wordt een echo gemaakt waarna u met ontslag kunt. De volgende controle op de polikliniek voor foetale behandeling zal na ongeveer 7 tot 10 dagen plaatsvinden.

Heeft u vóór die afspraak vragen of klachten, neem dan gerust contact op met ons via 071-526 0900 of mail naar verloskunde@lumc.nl . 

Complicaties

Mogelijke complicaties na de laserbehandeling zijn gebroken vliezen, (extreme) vroeggeboorte, infectie of sterfte van de kinderen. Reden voor het verlies van één of beide kinderen is het onvermogen van de kinderen om zich aan te passen aan de nieuwe bloedsomloop. Ook kunnen de kinderen overlijden als gevolg van het ernstig ziek zijn door de TTS of in geval van (extreme) vroeggeboorte.
Risico’s voor moeder zijn heel laag. In sommige gevallen loopt er na de ingreep vruchtwater of bloed in de buik van moeder wat kan zorgen voor buikpijn of pijn in de schouder.

Follow-up na de ingreep

Echocontroles

Na een laserbehandeling wordt minimaal iedere 2 weken echoscopisch onderzoek verricht. In sommige gevallen zal controle samen met het verwijzend ziekenhuis plaats vinden. Tijdens de echo controles wordt gekeken naar het herstel van de kinderen door middel van het meten van de groei, het vruchtwater en de bloeddoorstroming. Op deze manier kan tevens onderzocht worden of er sprake is van terugkeer van TTS of het ontstaan van TAPS. TAPS kan zich ontwikkelen doordat er een kleine bloedvatverbinding open is gebleven tijdens de laser behandeling. Klik hier voor meer informatie over TAPS.  

Bevalling

De locatie en manier van bevallen is in overleg met de behandelend gynaecoloog. Wanneer er tijdens de zwangerschap een behandeling heeft plaats gevonden heeft het de voorkeur, indien mogelijk, om in het LUMC te bevallen. De gemiddelde zwangerschapsduur waarop de kinderen geboren worden is tussen de 32-34 weken

Onderzoek van de placenta

Om te beoordelen of de laserbehandeling compleet is geweest, wordt de placenta na de geboorte opgespoten met kleurverf. Op deze manier kunnen eventuele resterende bloedvatverbindingen in beeld worden gebracht.  Wanneer de bevalling in een ander ziekenhuis dan het LUMC plaatsvindt, wordt de placenta opgestuurd door de de behandelend arts die de bevalling begeleid heeft. Klik hier voor een handleiding voor het opsturen van de placenta. 

Follow-up van de ontwikkeling

Het is belangrijk om de ontwikkeling van kinderen die TTS hebben gehad goed te volgen. 

In het LUMC is het volgen van de langetermijnontwikkeling standaardzorg voor TTS tweelingen die foetale therapie hebben gehad. Tijdens een ontwikkelingsonderzoek wordt er spelenderwijs getest wat een kind op dat moment al wel en niet kan. Dit ontwikkelingsonderzoek vindt plaats op 2, 5.5 en 8-jarige leeftijd. Uit onderzoek blijkt de kans op ontwikkelingsachterstand bij overlevende kinderen 6 tot 10%. Er is geen verschil in uitkomsten tussen TTS-donoren en TTS-ontvangers.